Posts tonen met het label live. Alle posts tonen
Posts tonen met het label live. Alle posts tonen
zondag 29 maart 2015
Live review: YAMA + MANTRA MACHINE + THE FUR + NAUSEAHTAKE
March 28th, 2015. A sullen rainy Saturday in Amsterdam. One of those nights where gloom and misery seem to be cloaked around every hunched body dragging itself along the streets. What better time to dive into one of Amsterdam's rock n roll caves and immerse oneself in a full on stoner onslaught of four great bands from the low lands of Holland and Belgium?
The rock n roll cave in particular this time is Winston Kingdom, at the heart of the Red Light District. First band of the night is Nauseahtake, a local lot from Amsterdam, playing a sludgy style of experimental improv stoner layered with spacey synth sounds. Great build ups make you long for enormous explosions, but the four lads excel in teasing and only rarely does a climactic thunder sear through our souls. But they deliver their music well, and with ferocity. Great band, and I look forward to hearing more from them.
Next in line is The Fur from Belgium. One look at their guitarist Jens Hugo is enough to ascertain the kind of music they will play: psychedelic seventies stoner. The guy definitely looks his music. The first few songs are very promising and take you on long and windy road. Unfortunately the road doesn't seem to be leading anywhere in the end, and the band starts to get lost within their own music, resulting in a messy second half of the show. Props for the banana marketing they did though. Handing out banana's is always a good idea. As The Fur states themselves: Not Enough Bananas.
Then it's time for Mantra Machine to take the stage. Tonight marks the vinyl release of their 2014 album Nitrogen. At least that's what the flyer for the shows says, because the lads of Mantra Machine themselves seem either to shy to tell the crowd who they are and which album everybody should buy tonight, or they just only give a shit about playing their music and screw all else. Their music warrants enough reason to buy their albums anyway, because their psychedelic instrumental space jams transcend the earthly planes and leave you begging for more. The bass lines especially are rad beyond the extreme. Go see them when they are around.
Last up is Yama, Tilburg's finest. I've had the pleasure of doing an interview with them some time ago, and it's great to see they are not only still going strong, but going even stronger still. After a long period of delay their first full length finally saw the light of day in late 2014. Their album Ananta can be considered as one of the finest pieces of Dutch stoner history already and their live shows add some extra raw quality to the songs. Tonight some technical difficulties mess up the first song a bit, but as soon as the bass is fixed the Yama freight train is on its way and cannot be stopped. Unsuspecting people in the front turn into rabid fans straight away when Yama sinks its fangs in their throbbing throats. Singer Alex Schenkels delivers his sermons in a most convincing manner, while Peter Taverne tests the foundations of Winston with his grooving bass lines. Guitarist Sjoerd Albers commands the Vedic deities with his riffs of mythic proportions, while drummer Joep Schmitz just about brings down the entire house with his relentless pummelling on his kit. During the title track of Ananta, everything seems to fall in its right place and all the gloom and misery of the beginning of the night evaporates in an effervescent cloud of joy. Far fucking out, man.
Labels:
live,
Mantra Machine,
Nauseahtake,
review,
stoner,
The Fur,
Winston Kingdom,
Yama
dinsdag 12 maart 2013
Kalkbrenner kleurt keurig binnen de keta-lijnen
Paul Kalkbrenner
Heineken Music Hall, Amsterdam, 9 maart 2013
Afgelopen weekend was het weer tijd voor 5 Days Off, het jaarlijks terugkerende dancefestijn in de hoofdstad van ons landje. Waar de shows over het algemeen in de Melkweg en de Paradiso plaatsvinden, stond er zaterdag ook nog een feestje in de Heineken Music Hall gepland: Paul Kalkbrenner. Namens Jimmy Alter ging ik eens poolshoogte nemen.
De voordelen van de Heineken Music Hall zijn er zeker. Zoals een goed geluid en vrijwel altijd genoeg bewegingsruimte, zelfs als het uitverkocht is zoals ook deze avond. Nadelen zijn er ook, zoals altijd pokkelang moeten wachten om je jas op te hangen, waardoor het vrijwel onmogelijk is om deze avond voorprogramma Michel de Hey mee te pakken. Maar och, daar malen we niet om, want we zijn hier om de sympathieke Paul Kalkbrenner te aanschouwen. De Duitser gaat al geruime tijd mee in de dance scene (in 2001 bracht hij reeds platen uit op het BPitch Control label van de schone koningin Ellen Allien), maar hij brak echt door met zijn plaatBerling Calling in 2008. Op dit album stond zijn wereldhit ‘Sky and Sand’ dat hij samen met broer Fritz Kalkbrenner (true story) maakte.
Zijn groeiende populariteit heeft ervoor gezorgd dat hij inmiddels dus in de HMH staat. We gunnen hem dat van harte, maar toch zou het fijner zijn geweest om hem in een wat kleinere zaal te mogen aanschouwen. De helft van de mensen vanavond lijkt hem vooral te kennen van zijn wereldhit en lijkt daar dan ook met smart op te wachten. Als Kalkbrenner ‘Sky and Sand’ als een van de allerlaatste nummers toch nog laat horen is dat voor velen een geschenk uit de hemel, maar het had echt niet gehoeven. Kalkbrenner laat namelijk horen een stuk meer in zijn mars te hebben dan dit en het spelen van zijn hitje lijkt een knieval naar de luisteraar. Maar ach, de mensen willen dansen van herkenning en dat doen ze dan ook met blijde gezichten.
Maar genoeg over de afsluiting van zijn set en even terug naar het begin. Het eerste half uur begint Kalkbrenner aarzelend, maar weet hij een licht lentegevoel neer te zetten (zeer welkom met de ellende buiten). Langzaam kabbelt dit gevoel echter weg richting een kale techno dat eigenlijk geen techno is. Kalkbrenner lijkt te aarzelen en het publiek aarzelt met hem mee. Het middenstuk, waarin hij zelfs drie keer doet alsof het feestje al voorbij is, voelt een beetje onwerkelijk en ongemakkelijk. Een gevoel van twijfel bekruipt ons -is dit het? We drinken nog maar eens een plastic pul pils leeg en geven hem nog even het voordeel van onze twijfel.
Dan! Lichtpuntjes! En niet alleen de redelijk toffe visuals (na de visuals van Skrillex en Kraftwerk te hebben gezien imponeert weinig meer op dit gebied), maar ook de muziek. Kalkbrenner lijkt zijn groove te hebben gevonden en begint zowaar te beuken. Zonder daarbij zijn kenmerkende warme geluid te verliezen overigens. Een veel te korte versie van de grandioze remix van 2Raumwohnung’s ‘Wir Werden Sehen’ (die had gewoon de volle negen minuten moeten duren en niet gevolgd moeten worden met een minuut stilte) is de prelude van een fantastisch uur, waarin vooral ‘Gebrünn Gebrünn’ opvalt, dat in een stevige en hypnotiserende variant wordt gedraaid. En dan heeft Kalkbrenner het toch nog voor elkaar: we willen niet naar huis. Neen, wij willen dansen! dansen! en koude pintjes drinken! Hij draait gelukkig een stuk langer door dan gepland, maar om middernacht neemt hij dan toch afscheid van ons.
Kalkbrenner is verre van een avontuurlijke producer of dj die dwars over alle keta-lijnen heen kleurt, maar hij weet toch wel iedere keer een verdomd fijne sfeer neer te zetten. Niet te moeilijk, zodat ook een deel van de minder geoefende muziekliefhebber het kan waarderen, maar toch: nice! En met een warm en goed gevoel verdwijnen we in de ijskoude nacht, waarin we hier en daar sneeuwkastelen in de lucht lijken te zien…
[Geschreven voor Jimmy Alter]
Labels:
5 Days Off,
dance,
Jimmy Alter,
keta,
live,
Paul Kalkbrenner,
review,
techno
donderdag 25 oktober 2012
Review: Five Years Erased Tapes -Memorable Moments at the Paradiso
(This is my own English interpretation of the Dutch review I wrote for Gonzo (circus) here.)
The label Erased Tapes Records, situated in London but founded by the German Robert Rath, celebrates its fifth anniversary this year. A good enough reason to treat the European audiences to something special, they must have thought. Hence a combined tour with three remarkable names from the label's roster through a number of European countries. Together, A Winged Victory for the Sullen, Ólafur Arnalds and Nils Frahm have played twelve shows in nine cities in thirteen days. This is a review of the night they visited the Paradiso in Amsterdam.
One of the great things of entering a venue long before the first note will be played, is that you get a chance to slowly drink in the atmosphere of the place. This night, the Paradiso feels like an enlarged living room, with the floor filled with chairs. Since this is going to be a concert that will benefit immensely by a hushed audience, sitting seems like a good choice. Which brings me to a second great thing of getting to shows like these early: you get to get a good spot near the front row. On stage, the musicians are still quietly and gently testing their instruments, tuning a harp here, checking some cables there. It will only be a short wait until the first act of the night will start playing.
Kubrick-Wonderland
The recent project of pianist/composer Dustin O’Halloran and sound engineer/composer Adam Wiltzie (Sparklehorse, Stars of the Lid), A Winged Victory for the Sullen, is first on the bill tonight. We don't get to see a huge enthralling showbiz entrance of some overly secure rockstars. Instead, we are witness to a humble entering of the stage of five talented musicians who, judging by the way they play their tunes, are no doubt kind souls as well.
After the introductions by O'Halloran and after the first notes slowly start filling up the Paradiso, we are immediately transported to a lunar world of quiet beauty. The combination of the visuals of the moon, the enigmatic staging of the lights and the intense wonder of the music seems to transport us straight into a strange Kubrick-Wonderland. A thousand plateaus higher and we don't even know how we have ended up here. We look at the woman playing the cello, and we have to blink our eyes because we see her changing into a moon goddess, surrounded by a touch of iridescent madness, while she loses herself within her music.
The piano sounds played by O'Halloran seem to carry the soundscape of violin, viola and cello, while Wiltzie uses his guitar to weave a barely audible blanket of drowsy drones. The faces of the musicians show a pure nakedness, wearing only a cloak of intense emotion that the audience in the Paradiso thankfully indulges in. Music played like this demands a full surrender, both from those creating the sounds and from those savouring them.
The audience is insanely quiet, too much overtaken by technically perfected sensation, which unfortunately isn't always the case with beautiful music played live. O'Halloran is happy with the quiet in the crowd and changes instruments with Wiltzie, who takes reins of the piano for the wonderful 'Steep Hills for Vicodin Tears'. O'Halloran plays layers of guitar for extra body and the Holy Trinity of cello, violin and viola functions as the perfect suture between them. The last song gets shaken up slightly by an experimental tinge of noise. The Holy Trinity seems to transform into a primitive creature, in possession of only a nascent form of intelligence, trying to comprehend the function of the instruments. Scratching, patting, feeling -hands go over the cello, harp and viola and we are humble witnesses to the birth of mankind. Beautiful.
Empty Chair
After a short break, it is time for Ólafur Arnalds. The young Icelandic composer is in a great mood and with his gentle and playful banter he manages to win over the crowd before he has even played a single note. He makes jokes with the audience members, gets them to sing along to notes that he plays and easily drags them into his wonderful world. Arnalds knows very well how to create a perfect balance between fun and excited tension, using both his verbal skills and his piano skills. One of Arnalds' strong points is that he knows how to move people with his music, without turning it into a fountain of melodrama.
Then we get to see a nice exhibition of melting new with old technologies. Arnalds takes turns playing three different pianos, and while he moves from the one to the other, we see him using an iPad to do, well, ehm something special no doubt? After playing some time solo, Arnalds is joined by the great cello player Anne Müller and a well dressed violinist, who plays while standing and every now and then has to massage his arms. Then suddenly in the midst of a song an ambient-kick fills up the Paradiso and we spot Nils Frahm sneaking his way up to a piano. The music combined with the compelling lighting has everyone in the crowd catching their breath.
When the song finishes, Frahm leaves the stage again. Now it's time for a solo from the violinist. He plays with a profound intensity and the front rows can hear him sweat and work, breathe and spit. He keeps playing until his violin bow is all used up. Müller follows with a cello solo, less loud, but she creates intensity through finesse. Beautiful.
Arnalds ends his show alone on stage. While he plays a melancholic piano piece, my eyes wander across the stage and I end up looking at the by now deserted and empty chair of Müller. The chair, slightly damaged at the side, standing in the scarce stagelight, forms a perfect symbol for the haunting melody that Arnalds is playing. When his piano sounds start fading away, we suddenly hear a quiet tune being played backstage, getting only slightly louder before fading away as well, like an effervescent elven dream....
Magician
Then it is time for last artist of the night: Nils Frahm. The young German is in a good mood as well, albeit it a little bit less exuberant than Arnalds. Frahm tells us that his manner of playing the piano often results in it needing some new tuning, which is why he has to be the last one of the night. To emphasize his words, he starts using the piano as a percussion instrument.
Frahm then continues with the live always marvelous 'Said & Done'. He starts off the song by playing a high hammering of notes, before he is joined by Arnalds. Together they drink whiskey, together they play the piano and together they remake the song into a wonderful extended version.
Then Frahm continues solo, this time playing on an old piano, bought at a flea market. In his words: "A bad song needs a bad piano". Immediately he belies his own words by playing a brilliant piece of work, abundant with high notes. Then suddenly a loud drone hits the stage, as if Sunn O))) is playing next door. The combination of the very high and the very low evokes a slight sense of euphoria in the crowd.
Then, alas, Frahm announces his last song. Lucky for us it is a very long one, in which Frahm loses himself completely. We no longer see a musician, but a magician, a warlock, caught by the unknown and the core of it all. While playing, he seems to be mumbling unintelligible words, and he is changing the very fabric of life, not with strange formulas or lines drawn in the sand, but with music and profound and prolonged passion. Oh such life! And Frahm for a moment controls every aspect of it, at the end wonderfully aided by the way by a magnificent Anne Müller.
Encore
Of course we are treated to an encore. Arnalds joins Frahm and together they drink some more whiskey and try to decide what to play. An uncontrolled and accidental (and enormously loud) Sunn O))) moment leaves half of the audience shell shocked for a bit, but of course the young men on stage are forgiven. After a nice duet between the two of them, all the musicians that have performed tonight join them on the stage for a great collaboration. Nine people playing simultaneously, in a musical piece that seems to grow fuller and fuller every second, until a Godspeed You!-esque cacophony sets the souls of those present in the Paradiso on fire.
When the final notes slowly fade away and the moon goddess literally played her bow into ruins, it takes some time before the crowd realizes that in fact they have not died, but that the heavens have descended upon them, down to earth, on this memorable Monday night in Amsterdam. Let Erased Tapes, inshallah (but if need be even against his will), soon celebrate another five years, just so they have another good excuse to have a collection of musicians like these play together again in one night. Thank you. Thank you. Thank you.
Five years Erased Tapes Labelnight, 15 oktober 2012, Paradiso, Amsterdam.
One of the great things of entering a venue long before the first note will be played, is that you get a chance to slowly drink in the atmosphere of the place. This night, the Paradiso feels like an enlarged living room, with the floor filled with chairs. Since this is going to be a concert that will benefit immensely by a hushed audience, sitting seems like a good choice. Which brings me to a second great thing of getting to shows like these early: you get to get a good spot near the front row. On stage, the musicians are still quietly and gently testing their instruments, tuning a harp here, checking some cables there. It will only be a short wait until the first act of the night will start playing.
Kubrick-Wonderland
The recent project of pianist/composer Dustin O’Halloran and sound engineer/composer Adam Wiltzie (Sparklehorse, Stars of the Lid), A Winged Victory for the Sullen, is first on the bill tonight. We don't get to see a huge enthralling showbiz entrance of some overly secure rockstars. Instead, we are witness to a humble entering of the stage of five talented musicians who, judging by the way they play their tunes, are no doubt kind souls as well.
After the introductions by O'Halloran and after the first notes slowly start filling up the Paradiso, we are immediately transported to a lunar world of quiet beauty. The combination of the visuals of the moon, the enigmatic staging of the lights and the intense wonder of the music seems to transport us straight into a strange Kubrick-Wonderland. A thousand plateaus higher and we don't even know how we have ended up here. We look at the woman playing the cello, and we have to blink our eyes because we see her changing into a moon goddess, surrounded by a touch of iridescent madness, while she loses herself within her music.
The piano sounds played by O'Halloran seem to carry the soundscape of violin, viola and cello, while Wiltzie uses his guitar to weave a barely audible blanket of drowsy drones. The faces of the musicians show a pure nakedness, wearing only a cloak of intense emotion that the audience in the Paradiso thankfully indulges in. Music played like this demands a full surrender, both from those creating the sounds and from those savouring them.
The audience is insanely quiet, too much overtaken by technically perfected sensation, which unfortunately isn't always the case with beautiful music played live. O'Halloran is happy with the quiet in the crowd and changes instruments with Wiltzie, who takes reins of the piano for the wonderful 'Steep Hills for Vicodin Tears'. O'Halloran plays layers of guitar for extra body and the Holy Trinity of cello, violin and viola functions as the perfect suture between them. The last song gets shaken up slightly by an experimental tinge of noise. The Holy Trinity seems to transform into a primitive creature, in possession of only a nascent form of intelligence, trying to comprehend the function of the instruments. Scratching, patting, feeling -hands go over the cello, harp and viola and we are humble witnesses to the birth of mankind. Beautiful.
Empty Chair
After a short break, it is time for Ólafur Arnalds. The young Icelandic composer is in a great mood and with his gentle and playful banter he manages to win over the crowd before he has even played a single note. He makes jokes with the audience members, gets them to sing along to notes that he plays and easily drags them into his wonderful world. Arnalds knows very well how to create a perfect balance between fun and excited tension, using both his verbal skills and his piano skills. One of Arnalds' strong points is that he knows how to move people with his music, without turning it into a fountain of melodrama.
Then we get to see a nice exhibition of melting new with old technologies. Arnalds takes turns playing three different pianos, and while he moves from the one to the other, we see him using an iPad to do, well, ehm something special no doubt? After playing some time solo, Arnalds is joined by the great cello player Anne Müller and a well dressed violinist, who plays while standing and every now and then has to massage his arms. Then suddenly in the midst of a song an ambient-kick fills up the Paradiso and we spot Nils Frahm sneaking his way up to a piano. The music combined with the compelling lighting has everyone in the crowd catching their breath.
When the song finishes, Frahm leaves the stage again. Now it's time for a solo from the violinist. He plays with a profound intensity and the front rows can hear him sweat and work, breathe and spit. He keeps playing until his violin bow is all used up. Müller follows with a cello solo, less loud, but she creates intensity through finesse. Beautiful.
Arnalds ends his show alone on stage. While he plays a melancholic piano piece, my eyes wander across the stage and I end up looking at the by now deserted and empty chair of Müller. The chair, slightly damaged at the side, standing in the scarce stagelight, forms a perfect symbol for the haunting melody that Arnalds is playing. When his piano sounds start fading away, we suddenly hear a quiet tune being played backstage, getting only slightly louder before fading away as well, like an effervescent elven dream....
Magician
Then it is time for last artist of the night: Nils Frahm. The young German is in a good mood as well, albeit it a little bit less exuberant than Arnalds. Frahm tells us that his manner of playing the piano often results in it needing some new tuning, which is why he has to be the last one of the night. To emphasize his words, he starts using the piano as a percussion instrument.
Then, alas, Frahm announces his last song. Lucky for us it is a very long one, in which Frahm loses himself completely. We no longer see a musician, but a magician, a warlock, caught by the unknown and the core of it all. While playing, he seems to be mumbling unintelligible words, and he is changing the very fabric of life, not with strange formulas or lines drawn in the sand, but with music and profound and prolonged passion. Oh such life! And Frahm for a moment controls every aspect of it, at the end wonderfully aided by the way by a magnificent Anne Müller.
Encore
Of course we are treated to an encore. Arnalds joins Frahm and together they drink some more whiskey and try to decide what to play. An uncontrolled and accidental (and enormously loud) Sunn O))) moment leaves half of the audience shell shocked for a bit, but of course the young men on stage are forgiven. After a nice duet between the two of them, all the musicians that have performed tonight join them on the stage for a great collaboration. Nine people playing simultaneously, in a musical piece that seems to grow fuller and fuller every second, until a Godspeed You!-esque cacophony sets the souls of those present in the Paradiso on fire.
When the final notes slowly fade away and the moon goddess literally played her bow into ruins, it takes some time before the crowd realizes that in fact they have not died, but that the heavens have descended upon them, down to earth, on this memorable Monday night in Amsterdam. Let Erased Tapes, inshallah (but if need be even against his will), soon celebrate another five years, just so they have another good excuse to have a collection of musicians like these play together again in one night. Thank you. Thank you. Thank you.
Five years Erased Tapes Labelnight, 15 oktober 2012, Paradiso, Amsterdam.
vrijdag 18 mei 2012
Review: Nils Frahm brengt Amstelkerk in hemelse vervoering
Onder de noemer Indiestad presenteert Paradiso een ruime week lang allerlei pluimage aan indie bands. De noemer indie is de afgelopen jaren verworden tot een enorme paraplu, waar inmiddels bijna de helft van de alternatieve muziek onder geschaard lijkt te kunnen worden. Toch is het een noemenswaardig iniatief, dit Indiestad, temeer omdat er niet alleen aandacht wordt besteed aan de alternatieve mainstream (jazeker, dat bestaat), maar ook aan werkelijke juweeltjes die de mensen zeker eens live zouden moeten aanschouwen. Zo een briljant is de Duitse neoklassieke pianist en componist Nils Frahm, die donderdag 17 mei in de prachtige Amstelkerk een concert weggaf.
Aanvankelijk zou het concert van Frahm plaatsvinden in die andere kerk nabij het Amstelveld, De Duif, maar later is het hele gebeuren verplaatst naar de Amstelkerk. Net als De Duif is de Amstelkerk een werkelijk wonderlijke locatie voor een muziekgebeuren als deze. De ruimte waarin gespeeld en geluisterd wordt, is een soort kubus, met een enorm hoog plafond. De ramen die helemaal bovenin de wanden zitten, geven de ruimte een aparte en mooie belichting. Het publiek bestaat deze avond uit een mix tussen wereldvreemde muziekliefhebbers en quasi-hippi quasi-intellectuelen (jazeker, ook die bestaan) en wat opvalt is dat de gemiddelde leeftijd toch niet heel erg hoog ligt, zo rond de midden dertig. Wellicht komt dat doordat Frahm zelf nog vrij jong is (30) of toch doordat zijn optreden van vanavond onderdeel uitmaakt van het hip gepresenteerde Indiestad. Hoe dan ook is het mooi om te zien dat de Amstelkerk afgeladen vol zit en dat er blijkbaar dus voldoende aandacht is voor muziek als deze.
Bij aanvang van het concert komt Frahm ontspannen door de zaal aangelopen en neemt eerst rustig de tijd om een beetje te babbelen met het publiek. Hij heeft een ontwapenende houding, waarmee hij er al snel voor zorgt dat er geen gespannen sfeer zal heersen zodra hij de pianoklanken van 'Said and Done' de zaal in zal sturen. Frahm begint met een eenzijdig hoog hamerend geweld, strak, staccato op dezelfde noot. Het geweld zwelt aan, tot het bijna ondraaglijk wordt en hij dan plots met de linkerhand de schoonheid begint te bespelen. Het hamerend geweld met de rechterhand gaat door, maar krijgt nu tegengas. Alsof de dood op deuren aan het bonken is, maar Het Leven Zelve zich daar niets van aantrekt en het doorgaat het leven te leiden, simpelweg omdat het geleefd moet worden, nee kan worden. Het spel resulteert in een intrigerende dans met de naderende dood en ontaardt uiteindelijk in de kalme berusting van het Einde, en het is goed zo.
De intensiteit van het spel van Frahm brengt het publiek in vervoering, maar vraagt daarmee ook veel van de luisteraars. Het is mooi om te zien hoe Frahm weer even de teugels laat vieren, als hij vraagt of hij misschien van iemand in de zaal een jas mag lenen om op te zitten. Zijn krukje is namelijk zo laag dat hij moeilijk bij de toetsen kan. Gelach, geroezemoes en iedereen is weer klaar voor de volgende dosis muziek. Frahm begint dit keer klein en overpeinzend. Langzaam echter ontstaan er stromende rivieren die vloeiend de Amstelkerk opvullen. Momenten van ijlte, van vluchtige klanken die hemelwaarts stijgen op deze Hemelvaartsdag, doen een beeld opdoemen van een op valse dromen gebaseerde utopie. Een hemelse wereld waarbij je als luisteraar in je achterhoofd stemmetjes hoort, dat het eigenlijk niet waar kan zijn. En ja, Frahm laat de muziek deze stemmetjes gelijk geven, als hij wisselt van zijn vleugel naar zijn keyboards en met een verandering van klankleur de utopie als een dansend en vallend kaartenhuis ineen laat storten. Grondtonen brengen ons terug naar de aarde en de muziek wordt voller, stijgt dan weer enigszins, maar ditmaal met een soort zweem van ironie in de klanken. Plots lijkt er zowaar een eighties vibe te onstaan in de muziek en de zwaarte maakt plaats voor een glimlach.
De muziek van Frahm, alleszins zoals hij deze live speelt (want live tovert hij nummers die op plaat vijf minuten duren om tot grotendeels geïmproviseerde kathedralen van ruim een kwartier), is als een lange reis langs vele verschillende affecten. Dit is misschien tegelijk het enige kleine minpuntje dat iemand zou kunnen benoemen tijdens deze show, dat Frahm wellicht iets te veel wilt. Maar aan de andere kant is dat tegelijk een beloning voor de luisteraar, als deze tenminste welwillend is de reis in al zijn facetten te aanvaarden. Er zijn lichte momenten van euforie, waarbij het volstaat met de ogen dicht te luisteren en te voelen. Maar ook met de ogen open is het genieten. Van het laatste daglicht dat hoog in de kerk naar binnen glipt via de ramen, waar vlak daar onder de gele lampen eenvoudig voor kaarsen aangezien kunnen worden. Van het gezicht en de houding van Frahm op het podium, waar de passie en intensiteit vanaf druipt. Het vrijwel vlekkeloze spel doet een zekere mate van eenvoud en gemak bij Frahm impliceren, maar zijn gezicht laat een geheel andere wereld zien. Hij is getergd, kijkt indringend en het is duidelijk dat zijn spel hem emotionele en spirituele moeite kost, welke hij overigens dubbel en dwars terugkrijgt, getuige zijn oprecht blijde ogen na ieder nummer. Toch komt een citaat uit de film Control op in onze gedachten, als Ian Curtis zegt: "They don’t know how much I give...".
Frahm beseft goed wanneer hij het publiek weer wat lucht moet gunnen en vraagt bij het laatste nummer of er geen pianist in de zaal zit die samen met hem wil spelen. Na enige aarzelingen staat er toch iemand op: pianist Erik gaat Frahm vergezellen. Na een korte uitleg van Frahm ("Ik speel de lage noten en heb wat meer verantwoordelijkheid, jij speelt de hoge noten!") en een kleine kwinkslag ("Als het echt verschrikkelijk klinkt dan glimlachen we gewoon naar het publiek") schuiven de heren naast elkaar aan bij de vleugel. Het publiek houdt zijn adem in, de spanning voelend of het wel goed zal gaan. De twijfel maakt echter al snel plaats voor bewondering, als na een aarzelend en aftastend begin duidelijk wordt dat ook Erik goed kan spelen en, belangrijker nog, Frahm goed aanvoelt. De muziek wordt voller en er wordt op momenten met volle overtuiging gespeeld. De improvisatie die de twee heren hier neerzetten is indrukwekkend en levert een kwetsbare intensiteit op, die uiteindelijk culmineert in een terecht lang en warm applaus. Frahm maakt van de gelegenheid gebruik om snel even naar de bar te rennen voor een drankje, maar hij komt gelukkig terug voor een slotakkoord. Het laatste stuk is, zeker in vergelijking met al het voorgaande van deze avond, een zeer gebalanceerd stuk. Het is een fijn einde, omdat het lijkt alsof na vele strubbelingen een uiteindelijk equilibrium gevonden is. De individuatie is compleet en zowel Frahm als de luisteraars lijken een te zijn verworden met hun Zelf.
Met dit optreden bewijst Frahm dat hij een geweldige live pianist is, die zowel kan ontroeren als de mensen kan laten (glim)lachen. Net als labelgenoot bij Erased Tapes Records Ólafur Arnalds (met wij hij onlangs nog samen heeft opgenomen), weet hij een brug te slaan tussen (neo)klassiek en modern. Indien u de kans heeft om Frahm live te aanschouwen, aarzelt u dan niet. De komende weken is hij nog een aantal maal in de buurt tijdens zijn speciale Recording Tour, waarbij hij zijn live show opneemt voor een eventuele toekomstige release.
Aanvankelijk zou het concert van Frahm plaatsvinden in die andere kerk nabij het Amstelveld, De Duif, maar later is het hele gebeuren verplaatst naar de Amstelkerk. Net als De Duif is de Amstelkerk een werkelijk wonderlijke locatie voor een muziekgebeuren als deze. De ruimte waarin gespeeld en geluisterd wordt, is een soort kubus, met een enorm hoog plafond. De ramen die helemaal bovenin de wanden zitten, geven de ruimte een aparte en mooie belichting. Het publiek bestaat deze avond uit een mix tussen wereldvreemde muziekliefhebbers en quasi-hippi quasi-intellectuelen (jazeker, ook die bestaan) en wat opvalt is dat de gemiddelde leeftijd toch niet heel erg hoog ligt, zo rond de midden dertig. Wellicht komt dat doordat Frahm zelf nog vrij jong is (30) of toch doordat zijn optreden van vanavond onderdeel uitmaakt van het hip gepresenteerde Indiestad. Hoe dan ook is het mooi om te zien dat de Amstelkerk afgeladen vol zit en dat er blijkbaar dus voldoende aandacht is voor muziek als deze.
Bij aanvang van het concert komt Frahm ontspannen door de zaal aangelopen en neemt eerst rustig de tijd om een beetje te babbelen met het publiek. Hij heeft een ontwapenende houding, waarmee hij er al snel voor zorgt dat er geen gespannen sfeer zal heersen zodra hij de pianoklanken van 'Said and Done' de zaal in zal sturen. Frahm begint met een eenzijdig hoog hamerend geweld, strak, staccato op dezelfde noot. Het geweld zwelt aan, tot het bijna ondraaglijk wordt en hij dan plots met de linkerhand de schoonheid begint te bespelen. Het hamerend geweld met de rechterhand gaat door, maar krijgt nu tegengas. Alsof de dood op deuren aan het bonken is, maar Het Leven Zelve zich daar niets van aantrekt en het doorgaat het leven te leiden, simpelweg omdat het geleefd moet worden, nee kan worden. Het spel resulteert in een intrigerende dans met de naderende dood en ontaardt uiteindelijk in de kalme berusting van het Einde, en het is goed zo.
De intensiteit van het spel van Frahm brengt het publiek in vervoering, maar vraagt daarmee ook veel van de luisteraars. Het is mooi om te zien hoe Frahm weer even de teugels laat vieren, als hij vraagt of hij misschien van iemand in de zaal een jas mag lenen om op te zitten. Zijn krukje is namelijk zo laag dat hij moeilijk bij de toetsen kan. Gelach, geroezemoes en iedereen is weer klaar voor de volgende dosis muziek. Frahm begint dit keer klein en overpeinzend. Langzaam echter ontstaan er stromende rivieren die vloeiend de Amstelkerk opvullen. Momenten van ijlte, van vluchtige klanken die hemelwaarts stijgen op deze Hemelvaartsdag, doen een beeld opdoemen van een op valse dromen gebaseerde utopie. Een hemelse wereld waarbij je als luisteraar in je achterhoofd stemmetjes hoort, dat het eigenlijk niet waar kan zijn. En ja, Frahm laat de muziek deze stemmetjes gelijk geven, als hij wisselt van zijn vleugel naar zijn keyboards en met een verandering van klankleur de utopie als een dansend en vallend kaartenhuis ineen laat storten. Grondtonen brengen ons terug naar de aarde en de muziek wordt voller, stijgt dan weer enigszins, maar ditmaal met een soort zweem van ironie in de klanken. Plots lijkt er zowaar een eighties vibe te onstaan in de muziek en de zwaarte maakt plaats voor een glimlach.
De muziek van Frahm, alleszins zoals hij deze live speelt (want live tovert hij nummers die op plaat vijf minuten duren om tot grotendeels geïmproviseerde kathedralen van ruim een kwartier), is als een lange reis langs vele verschillende affecten. Dit is misschien tegelijk het enige kleine minpuntje dat iemand zou kunnen benoemen tijdens deze show, dat Frahm wellicht iets te veel wilt. Maar aan de andere kant is dat tegelijk een beloning voor de luisteraar, als deze tenminste welwillend is de reis in al zijn facetten te aanvaarden. Er zijn lichte momenten van euforie, waarbij het volstaat met de ogen dicht te luisteren en te voelen. Maar ook met de ogen open is het genieten. Van het laatste daglicht dat hoog in de kerk naar binnen glipt via de ramen, waar vlak daar onder de gele lampen eenvoudig voor kaarsen aangezien kunnen worden. Van het gezicht en de houding van Frahm op het podium, waar de passie en intensiteit vanaf druipt. Het vrijwel vlekkeloze spel doet een zekere mate van eenvoud en gemak bij Frahm impliceren, maar zijn gezicht laat een geheel andere wereld zien. Hij is getergd, kijkt indringend en het is duidelijk dat zijn spel hem emotionele en spirituele moeite kost, welke hij overigens dubbel en dwars terugkrijgt, getuige zijn oprecht blijde ogen na ieder nummer. Toch komt een citaat uit de film Control op in onze gedachten, als Ian Curtis zegt: "They don’t know how much I give...".
Frahm beseft goed wanneer hij het publiek weer wat lucht moet gunnen en vraagt bij het laatste nummer of er geen pianist in de zaal zit die samen met hem wil spelen. Na enige aarzelingen staat er toch iemand op: pianist Erik gaat Frahm vergezellen. Na een korte uitleg van Frahm ("Ik speel de lage noten en heb wat meer verantwoordelijkheid, jij speelt de hoge noten!") en een kleine kwinkslag ("Als het echt verschrikkelijk klinkt dan glimlachen we gewoon naar het publiek") schuiven de heren naast elkaar aan bij de vleugel. Het publiek houdt zijn adem in, de spanning voelend of het wel goed zal gaan. De twijfel maakt echter al snel plaats voor bewondering, als na een aarzelend en aftastend begin duidelijk wordt dat ook Erik goed kan spelen en, belangrijker nog, Frahm goed aanvoelt. De muziek wordt voller en er wordt op momenten met volle overtuiging gespeeld. De improvisatie die de twee heren hier neerzetten is indrukwekkend en levert een kwetsbare intensiteit op, die uiteindelijk culmineert in een terecht lang en warm applaus. Frahm maakt van de gelegenheid gebruik om snel even naar de bar te rennen voor een drankje, maar hij komt gelukkig terug voor een slotakkoord. Het laatste stuk is, zeker in vergelijking met al het voorgaande van deze avond, een zeer gebalanceerd stuk. Het is een fijn einde, omdat het lijkt alsof na vele strubbelingen een uiteindelijk equilibrium gevonden is. De individuatie is compleet en zowel Frahm als de luisteraars lijken een te zijn verworden met hun Zelf.
Met dit optreden bewijst Frahm dat hij een geweldige live pianist is, die zowel kan ontroeren als de mensen kan laten (glim)lachen. Net als labelgenoot bij Erased Tapes Records Ólafur Arnalds (met wij hij onlangs nog samen heeft opgenomen), weet hij een brug te slaan tussen (neo)klassiek en modern. Indien u de kans heeft om Frahm live te aanschouwen, aarzelt u dan niet. De komende weken is hij nog een aantal maal in de buurt tijdens zijn speciale Recording Tour, waarbij hij zijn live show opneemt voor een eventuele toekomstige release.
Labels:
Amstelkerk,
Erased Tapes,
Indiestad,
live,
Nils Frahm,
review
donderdag 12 januari 2012
A Winged Victory for the Sullen krijgt Paradiso muisstil
A Winged Victory for the Sullen
+ Sleepingdog
Paradiso, Amsterdam10-01-2012
Afgelopen dinsdagavond stond er een interessante act op het programma in de kleine zaal van Paradiso: A Winged Victory For The Sullen. Dit project van Dustin O’Halloran en Adam Wiltzie (Stars Of Lid) behelst een samenspel waarbinnen de mooiste elementen van ambient en klassiek tot elkaar komen.
Het voorprogramma deze avond is op zichzelf staand al de moeite waard om naar Paradiso te komen op deze druilerige dinsdagavond: Sleepingdog. Dit is één van de vele projecten van de Nederlandse Chantal Acda (die voornamelijk vanuit België opereert). Naast Sleepingdog speelt ze ook nog onder de naam Chacda en samen met Craig Ward vormt ze het duo True Bypass.
Sleepingdog staat, zoals eigenlijk al het werk van Acda, voor prachtige en ingetogen muziek. In deze formatie wordt ze bijgestaan door niemand minder dan Adam Wiltzie zelf, met wie ze samen het album With Our Heads in the Clouds and Our Hearts in the Fields heeft opgenomen. Sowieso is er aan grote namen geen gebrek op deze plaat, want Hildur Guðnadóttir neemt het cello-werk voor haar rekening.
Deze avond in Paradiso staat Acda (gitaar, piano en zang) samen met Wiltzie (gitaar) op het podium en worden ze op percussie ondersteund door Tom Lezaire. Wiltzie speelt gitaar, maar verwacht geen akkoorden of riffs van deze man, die bekend staat om het creëren van geluidslagen die zowel prachtig als beklemmend zijn. Ook in Sleepingdog vervult hij deze rol, maar de nadruk ligt op de pracht en met mooie open onderlagen vormt hij een sterke basis van de liedjes. Deze worden overigens schitterend ingekleurd door Acda, die met haar enigszins hoge en breekbare stem de luisteraars hypnotiseert.
Het lichte akoestische gitaar- en pianospel en de gedetailleerde percussie maken de muziek af en wat bijna niemand voor mogelijk houdt gebeurt: Paradiso is stil, muisstil. Acda grapt dat ze dit heuglijke feit op haar Facebook zal gaan zetten: “Hollanders kunnen toch stil zijn.” Waarop ze, als bijna niemand in de zaal reageert, volgt met: “Iets te stil zelfs misschien…” Maar ze kan het haar publiek niet kwalijk nemen dat het niet uitbundig reageert op haar (nochtans leuke) kwinkslagen, want de mensen zijn betoverd door de wonderschone liedjes. Als de betovering uiteindelijk na het laatste nummer verbroken is, krijgt Sleepingdog een geweldig en verdiend applaus. Graag een snel vervolg.
Men zou bijna vergeten dat er nog iets op het programma staat deze avond, maar hoofdact A Winged Victory For The Sullen moet nog komen. Het album dat ze enkele maanden geleden hebben uitgebracht, simpelweg A Winged Victory For The Sullen getiteld, staat vol met drie kwartier auditieve schoonheid aan instrumentale muziek die het midden houdt tussen klassiek en ambient.
De twee vrienden hebben elkaar op een geweldige manier gevonden in deze samenwerking, die mede tot stand is gekomen door hun gedeelde rouw om het verlies van Mark Linkous (de man achter Sparklehorse pleegde in 2010 zelfmoord), met wie beide heren goed bevriend waren. Of de plaat een requiem is of een hoopvolle opening naar de toekomst durf ik niet te zeggen, maar de muziek weet je als luisteraar mee te nemen naar dromerige werelden en raakt je tegelijk in je fundament.
Rond half negen komt Adam Wiltzie terug op het podium, ditmaal met kameraad Dustin O’Halloran, twee violisten en een celliste. Dat de klassiek aandoende stukken live gespeeld gaan worden door een mini-orkest is natuurlijk geweldig, want dit geeft een stuk meer dynamiek dan als er slechts een tape wordt meegespeeld. Met O’Halloran links op het podium op piano, Wiltzie rechts op gitaar en de drie dames in het midden is het publiek deze avond getuige van een mooi samenwerkingsschouwspel tussen rasmuzikanten.
De muziek staat in feite natuurlijk al, maar met regelmaat zie je de muzikanten elkaar op het podium sturen, corrigeren en aanmoedigen. Hierdoor is het optreden niet alleen interessant voor de oren, maar kun je ook je ogen de kost geven. Helemaal omdat sommige nummers ook nog ondersteund worden door intrigerende visuals op een groot scherm. Maar toch blijft de muziek vanzelfsprekend de hoofdmoot. Het pianospel van O’Halloran is dan weer mooi, dan weer onheilspellend. Wiltzie creëert fijne lagen geluid die de nummers samen met het aardse cello-geluid een plek geven in het hier en nu, wat bijna ook wel nodig is met het hemelse vioolspel dat zorgt voor een meer ruimtelijke ervaring.
Sommige nummers zijn kort (te kort!), andere weer wat langer, maar het publiek weet zich wederom muisstil te houden. Hier staan (en aan de zijkant zitten) mensen die puur voor de muziek komen en de muzikanten het respect betuigen dat ze verdienen. Het helpt natuurlijk dat de muziek, meer zelfs nog dan op plaat, de luisteraar in vervoering brengt. Daarnaast is het moeilijk om de ogen af te houden van het geweldige samenspel tussen de drie dames en de twee mannen op het podium. De kleine knikjes, de lichaamsbewegingen, de sturende ogen -ze dragen bij aan een fantastische ervaring, hier in de kleine zaal van Paradiso, op een druilerige dinsdagavond. En dan te bedenken dat er nog steeds mensen bestaan die een avond tv kijken op de bank verkiezen boven een Erlebnis als deze…
(Geschreven voor Jimmy Alter)
dinsdag 13 december 2011
Thurston Moore creëert bijzondere momenten in De Duif
Thurston Moore
+ Head of Wantastiquet
De Duif, Amsterdam12-12-2011
Rolling Stone plaatste hem op nummer 34 in de top 100 beste gitaristen aller tijden. Niet zozeer voor zijn technische spel als wel voor zijn kwaliteit om virtuoze geluidsstructuren te creëren. Ik heb het hier over Thurston Moore, gitarist/zanger van de legendarische altnoiserockers Sonic Youth, de band die Kurt Cobain inspireerde Nirvana op te richten. Moore stond afgelopen maandag met zijn solo muziek in de Amsterdamse kerk De Duif. Een mooie gelegenheid om eens polshoogte te nemen.
De Paradiso heeft al een aantal jaar een samenwerkingsverband met de Amsterdamse kerk De Duif. Hier worden vaker (pop)concerten gehouden in de fantastische neoclassicistische sfeer van de kerk die in 1796 gebouwd is. Deze avond staat Thurston Moore op het programma, de toch wel legendarische gitarist van de al even legendarische band Sonic Youth. Vanavond is hij echter solo, hoewel omgeven door een voltallige band. Als voorprogramma heeft hij deze tour Head of Wantastiquet meegenomen.
Er is veel ouder volk deze avond, maar toch ook genoeg twintigers die geinteresseerd zijn in het solo werk van Moore. De Duif staat vol met zitplaatsen, wat zorgt voor een intieme setting. Rond acht uur verschijnt Paul Labrecque op het podium, de man achter het project Head of Wantastiquet, met een prachtige electrische gitaar. Samen met een harpiste en een semi-akoestische gitarist begint hij aan het opbouwen van wat een mooie soundscape blijkt te zijn.
Er wordt slechts een nummer gespeeld, met een langzame opbouw. Na een minuut of tien wordt er pas percussie toegevoegd aan het geluid dat geweven wordt door de harp, de twee gitaren en af en toe een hoge, woordenloze zanglijn van Labrecque. Weer vijf minuten later voegt een violiste zich toe bij het geheel en ondertussen is de muziek bijna ongemerkt steeds voller geworden, steeds verder ingekleurd met details en herhalende mantra’s. Dan opeens is het voorbij, na een klein half uurtje. Meer krijgen we niet en Labrecque en de rest van de band lopen onder verdiend applaus het podium af.
De Duif is ondertussen zeer goed gevuld, hoewel het concert niet uitverkocht is. Toch zijn vrijwel alle stoelen bezet en staan er zelfs mensen langs de zijkanten en de achterkant. Even na negenen komt Thurston Moore dan het podium op, geflankeerd door dezelfde band die eerder Paul Labrecque begeleidde. Moore komt relaxed over en zet gelijk de toon voor de avond als hij commentaar geeft op zijn microfoonstandaard, terwijl hij deze repareert: “Als dit een computer was geweest, dan zou dit een lange avond worden...”
Voordat hij overgaat tot het eerste nummer ‘Queen Bee and her Pals’, draagt hij het uitgebreid op aan de inmiddels overleden beat-dichter Allen Ginsberg en en passant ook nog aan diens collega-vrienden Gregory Corso en William Burroughs, “who have always disputed the tyrants and have always considered themselves pariahs”. Het publiek luistert stil en lacht op de momenten van de grapjes -dit belooft een mooie avond te worden. De Duif is er ook een ideale locatie voor en de akoestiek blijkt perfect te zijn.
De tweede track die gespeeld wordt is ‘Psychic Hearts’ van het gelijknamige album uit 1995. Live verwordt dit nummer tot een Sonic Youth-achtig luisterspel, met een excentrieke vreemdheid die psychedelisch Brits klinkt, maar tegelijk ook doet denken aan het werk van the Fugs (waar Ginsberg ook aan gelieerd was). Een harp is wellicht niet het eerste instrument waarbij men moet denken bij noisy gitaarmuziek, maar vanavond laat deze harpiste zien wat het instrument allemaal nog meer vermag dan slechts engelen begeleiden.
Moore speelt geweldig en wordt ook fantastisch ondersteund door de rest van de band, die de muziek weet te laten leven. De Sonic Youth-achtige nummers nemen het publiek mee, weg vanuit de neoclassicistische stijl mee de Factory in, mee naar de wonderlijke wereld van Warhol. Dit laatste kan ook komen door het nonchalante haar en dito oogopslag van Moore, die soms wel iets van hem weg lijkt te hebben. De noisy muziek klinkt krachtig en er klinkt een zekere noodzaak in door, alsof eenzaamheid of gekte de maker op de hielen zit en het spelen van muziek de enige manier van verlossing is.
Het tweede deel van de show is meer ingetogen en de nadruk ligt meer op de nummers van het dit jaar verschenen solo-album Demolished Thoughts. Tijdens deze rustigere nummers hangt er soms een zweem van een Lou Reed of een David Bowie rondom Moore, die met zowel zijn spel als zijn performance laat blijken een groot muzikant en markante persoonlijkheid te zijn. Ondertussen zorgen de viool, tweede gitaar en percussie voor een warme kleur in de klanken.
Het spel van de harpiste is werkelijk wonderlijk te noemen. Het is geweldig om haar handen, vooral tijdens de snelle chaotische stukken die nog steeds af en toe opduiken, over de snaren te zien vliegen. Alsof ze middels haar harp op onnavolgbare wijze een web van lagen muziek fabriceert, een web dat de luisteraar omzwachtelt met een vredig gevoel. Een web waarin de luisteraar met geen mogelijkheid uit kan ontsnappen, maar dat ook totaal niet zou willen.
Ondertussen zingt Moore “I found a diamant in the gutter”, waarmee hij zijn eigen persoonlijkheid lijkt te reflecteren. Op momenten doet Moore denken aan Tom Waits, alleen dan in een versie die rustelozer is, psychedelischer en meer urbaan, industrieel wellicht. Dan een mooi moment: Moore ziet een jongen naast en onder het podium verdwijnen (richting de wc’s). Hij vraagt aan het publiek of het geen geweldige concertervaring zou zijn als je naar de wc gaat en vervolgens de hele band van het podium stapt en je achterna komt. Na een korte aarzeling kijkt hij de rest van de band aan zegt: “C’mon, let’s do it!” Zo gezegd zo gedaan en de hele band verdwijnt richting de wc’s. De jongen zal het hoogstwaarschijnlijk inderdaad nooit meer vergeten...
Het nieuwere en rustigere werk van Moore wordt sterk gespeeld, maar toch blijft het gevoel kleven dat hij nog sterker is op de heftigere momenten, waarbij het gevoel van vervreemding dieper aankomt bij het publiek dan de pracht van de meer ingetogen nummers. Twee maal draagt Moore poëzie voor tussen de nummers door, wat de toch al dynamische avond nog meer cachet geeft. “Rock n roll / poetry / and the girls lost in it”
De reguliere set eindigt met ‘Blood Never Lies’, waarna het gezelschap onder daverend applaus en donderend voetgeroffel van het podium verdwijnt. Natuurlijk is er een toegift, waarin Moore zelfs zijn jasje uit doet. In een tweede toegift gooit hij ook nog zijn stropdas weg, om vervolgens samen met de andere muzikanten een denderende en gewelddadige climax neer te zetten. Noisy, onaards en tegelijk een geluid dat iedereen doet beseffen dat ie hier en nu bestaat. Na anderhalf uur stopt de muziek dan daadwerkelijk, het publiek in de Duif achterlatend met een grote glimlach, beseffende dat ze getuige zijn geweest van iets bijzonders.
Geschreven voor Jimmy Alter
Abonneren op:
Posts (Atom)











